Achtergrond

Nieuwe wetenschappelijke studies benadrukken in toenemende mate het belang van “biobouwers” (ecosystem engineers) in intergetijdegebieden als de Waddenzee. Biobouwers zijn organismen die niet alleen op milieuomstandigheden (zoals sedimenteigenschappen en hydrodynamiek) reageren, maar deze ook zelf sterk beïnvloeden. Zo creëren ze in eerste instantie geschikte leefomstandigheden voor zichzelf en ook voor andere soorten, en spelen hiermee een sleutelrol in het voortbestaan van biodiversiteit en het natuurlijk functioneren van ecosystemen. In de Waddenzee zijn het vooral mossels en zeegrassen die deze rol spelen, met de Japanse oester als biobouwende nieuwkomer. Echter, zowel zeegrasvelden als droogvallende mosselbanken zijn grotendeels verdwenen. Voor zeegrassen lijkt de huidige troebelheid van het water een beperkende factor, waardoor te weinig licht in het water doordringt. Herstel van zeegrasvelden door plaatselijke ingrepen lijkt op de korte termijn daarom slechts beperkt mogelijk. Diverse eerdere herstelprojecten van zeegrasvelden hebben gefaald, waaruit blijkt dat de algemene milieurandvoorwaarden de laatste decennia beperkend zijn geworden. Mosselbanken zijn veel korter geleden uit het litoraal (intergetijdegebied) verdwenen, maar komen nog wel overvloedig in het sublitoraal (niet-droogvallende deel) voor, vooral in de westelijke Waddenzee (waar ze bevist worden door mossel(zaad)vissers). Dit betekent dat er nog wel veel reproductie is van mossels, doch dat deze zich niet meer handhaven als stabiele droogvallende mosselbanken, zoals dat vroeger het geval was. In 1978 was er, verspreid over de Waddenzee, nog een oppervlakte van 4000 hectare aan stabiele mosselbanken. In 1997 was daar nog ongeveer 100 hectare van over. Momenteel zijn dergelijke banken vrijwel verdwenen, al hebben zich in het oostelijk deel van de Nederlandse Waddenzee wel weer wat jonge en nog instabiele mosselbanken gevormd. Daarmee is een groot aantal planten- en diersoorten dat van deze banken afhankelijk is, ook verdwenen of sterk afgenomen.

Het verlies aan biobouwers is echter niet de enige bedreiging van de biodiversiteit in de Waddenzee. Naast het verdwijnen van zeegrasvelden en mosselbedden, zijn ook de meeste toppredatoren (roggen, haaien, bruinvis, tuimelaar) uit het systeem verdwenen of sterk uitgedund. Bovendien is de waterkwaliteit verslechterd (eutrofiëring, vertroebeling van het water door meer slib). Wadbodems worden voortdurend overal verstoord (tot tientallen keren per jaar op dezelfde plek) door visserij op platvis, garnalen, mossels en kokkels en wadpieren, door zand- en schelpenwinning, en door allerlei andere baggeractiviteiten (o.a. onderhoud vaargeulen). Het netto resultaat van al deze veranderingen is het grotendeels ‘instorten’ van het voedselweb van de Waddenzee. Tegenwoordig wordt het voedselweb van de Waddenzee gedomineerd door soorten die vooral van algen (fytoplankton) en dood organisch materiaal (detritus) leven, zoals wormen en garnalen, met nog enkele van hun predatoren (platvissen, sommige vogelsoorten). Vroeger waren algen in microbiële matten (microfytobenthos) en zeegrassen waarschijnlijk de belangrijkste primaire producenten, en leverde het veel helderder water waarmee deze soorten geassocieerd waren mogelijkheden voor een veel soortenrijkere, meer complexe voedselweb structuur, met planteneters, predatoren van planteneters, predatoren van die predatoren, en tenslotte toppredatoren.

Maatregelen om dit verlies aan ecologische waarden tegen te gaan zijn gericht geweest op de verbetering van de waterkwaliteit (minder eutrofiëring; vermindering van zwevend slib in het water) en soms op minder bodemverstoring (sluiten kokkelvisserij hele Waddenzee, sluiten mossel- en garnalenvisserij van sommige delen). Deze maatregelen hebben echter niet geleid tot het gewenste herstel van mosselbanken en zeegrasvelden, en hebben mede daarom niet geleid tot terugkeer van de meer complexe voedselweb structuur die het Waddenecosysteem vroeger kenmerkte.

Dit project bestaat uit twee onderdelen. In een grootschalige praktijkproef zal in eerste instantie op experimentele schaal getracht worden om mosselbanken te herstellen. Daarnaast zal op basis van stabiele isotopen een set procesindicatoren ontwikkeld worden waarmee we de mate van herstel van voedselweb structuur kunnen bepalen en evalueren. Het gaat dan niet alleen om het deel-ecosysteem van het open wad, maar ook om de daaraan gekoppelde systeem van de kwelders; de beide habitattypen zijn via sedimentatieprocessen functioneel sterk met elkaar verbonden. Een belangrijk aspect van deze koppeling is de mogelijkheid om met stabiele isotopen het belang van kwelders als ‘slib- vangers’ te kwantificeren, wat een onderbouwing kan bieden voor plannen tot uitbreiding van het kwelderareaal. Dit is niet alleen relevant vanuit een ecologisch gezichtspunt, omdat groeiende kwelders en wadplaten kunnen helpen zorgen voor extra kustveiligheid bij de verwachte zeespiegelstijging.

Uiteindelijk zal alle kennis die wordt opgedaan binnen het project worden gebruikt voor het maken van een kansrijkdomkaart voor natuurherstel in de Waddenzee. Lees hier het volledige projectplan!